Murphy’s ‘wet van behoud van ellende’ toont zijn geldigheid als we vlak voor de start constateren dat het vrijwel windstil is vandaag, wat tamelijk bijzonder is op IJsland, maar dat het daarvoor in de plaats gestaag regent. Dit zal de eerste uren van onze wedstrijd aanhouden. Er heeft dan ook niemand haast om in het startvak te gaan staan. Pas tegen kwart voor zeven, een kwartiertje voor de start van de dameswedstrijd, stellen de eersten zich op. We zijn in totaal met 88 ingeschreven vrouwen, 32 dames voor de elite-wedstrijd en de rest, waaronder Manon en ik voor de ‘200-open’. De eerste kilometers over het asfalt zullen we geneutraliseerd gaan afleggen. Daarna moet er gelijk geklommen worden, waardoor we al snel op onze plek zullen komen, zo is mijn verwachting. Ondanks mijn voorbereidingen heb ik eigenlijk geen idee wat me precies te wachten staat. Ik heb mijn regenjackje aan voor het eerste stuk in de regen en mijn merinowollen sokken voor de ijskoude rivercrossings. Ik heb een waterzak op mijn rug, twee bidons met elektrolyten in de houders en voor elk uur dat ik verwacht onderweg te zijn iets te eten in mijn zakken. Ik heb een tooltje, binnenband, fietspomp en plugsetje bij me, want onderweg mag er geen assistentie van buitenaf worden verleend. Het parcours is dusdanig dat dit ook eigenlijk amper mogelijk is, want we gaan letterlijk naar een gebied op en rond de vulkaan Hekla ‘where the streets have no names’.

Hoe het begon, weet ik niet meer precies, maar Manon had jaren als fysiotherapeut op IJsland gewerkt en vanaf het moment dat ‘The Rift’ als gravelrace ontstond gedroomd van een deelname. Vorig jaar had ze het idee in de groep gegooid en in eerste instantie waren we met zes enthousiastelingen. Een reis naar IJsland met een fiets is echter logistiek best ingewikkeld en duur. De timing van het evenement was ook niet voor iedereen gunstig, waardoor ik uiteindelijk alleen met Manon overbleef. Voor mij was het ook een behoorlijke puzzel, maar met al verschillende gravel-events die door diverse omstandigheden voor mij onmogelijk waren geworden dit jaar, waaronder The Traka, wilde ik deze wel graag doorzetten: een race van 200 kilometer over een vulkaan, veel steil klimmen, door riviertjes fietsen, grote-mensen-gravel en spectaculaire scenery. Het zorgde voor de klap op een aantal zaken, die ik toch al wilde doen: de aanschaf van echte gravelbike en van een fietskoffer en het gaf me een bijzonder doel om naar toe te werken. “You got what it takes?” vraagt de website van The Rift. We zouden het vandaag gaan zien.

Onder enthousiaste aanmoedigingen van de ladyspeaker zetten we ons met het complete vrouwenpeloton in gang: “you are all heroes in my book already!” We rijden aan dertig in het uur achter de auto van de organisatie. Dikke regendruppels en spray maken dat het wat suf voelt als grote plassen op de weg worden ontweken. Ik maak geen haast om naar voren te schuiven en zit ergens halverwege het pak. De dag is nog lang. Als we naar links draaien en beginnen aan de eerste serieuze hoogtemeters op slecht asfalt dat overgaat in gravel, merk ik dat ik vanzelf doorschuif naar voren. Er is een apart klassement voor de elite met bruine startnummers en de open-klasse met gele nummers. Binnen de laatste groep is ook nog een onderverdeling in drie leeftijdsgroepen, waarbij er dertien vrouwen 50+ op de startlijst staan. Maar aangezien we alleen stuurborden hebben en geen rugnummers, geef ik het direct in die eerste klim maar op om bij te willen houden waar ik me in mijn eigen wedstrijd bevind. Ik heb namelijk geen idee wie ik passeer en later op de dag wordt dat helemaal onduidelijk als ook de mannen en nog wat later rijders van de 140 kilometer zich op hetzelfde parcours bevinden.

De eerste serieuze waterpassages. De wat kleinere passage fiets ik doorheen, maar bij de eerste diepe kies ik toch voor lopen. De wollen sokken doen wat ze moeten doen en zorgen dat mijn voeten weliswaar nat, maar niet koud zijn. Vooraf was ik er wat onzeker over, maar na de eerste paar riviertjes is het me duidelijk dat ik dit superleuk vind. Op dat moment zit Manon nog vlakbij me. We hebben afgesproken om ieder vandaag onze eigen tocht te rijden. Manon is met haar verdergewicht veel te snel voor me op de klimmetjes en bij de stoempstukken moet ik gewoon mijn eigen ding doen. Het is nu vooral klimmen. Ik krijg het er warm van, ook al is het een graadje of tien. Ergens stop ik om mijn regenjackje uit te doen en mijn windstopper aan.Een passerende dame vraagt of het goed gaat, wat ik heel fijn vind. Ik doe dat zelf ook de hele dag als ik renners langs de kant zie staan. De organisatie moedigt dit ook aan: hulp van buitenaf is niet toegestaan, maar renners mogen elkaar onderling technische assistentie verlenen: ‘it’s a race, but be kind’. Daarentegen is het niet toegestaan voor vrouwen om te ‘draften’ achter mannen en omgekeerd. Ik denk niet dat dit de hele dag netjes wordt nageleefd, maar wanneer de eerste mannen onze wedstrijd passeren, gedragen de dames om mij heen zich keurig.

Het veld trekt inmiddels volledig uit elkaar. Met al het geklim wordt Manon voor mij een roze stipje in de verte. Ik moet mijn eigen tempo zoeken. De eerste 136 kilometer gaat het bijna onafgebroken omhoog. Als het ophoudt met regenen en de zon kort doorbreekt, moet ik bij een heel steil stuk even capituleren. Ik stap af om een moment goed te drinken en wat te eten. Wat is dit zwaar! Er zijn een paar korte steile afdalingen tussendoor, waar het tof is om hard naar beneden te knallen, maar er is ook een tamelijk lange, geleidelijk aflopende weg, waar ik absoluut niet kan genieten van het meezittende hellingspercentage. De weg is verschrikkelijk hobbelig en vol losse keien. Ik droom daar van een fiets met een verende voorvork. Samen met het moment van zojuist in de klim zit ik me serieus af te vragen wat ik hier kom doen vandaag. Mijn beide armen doen pijn van het hotsebotsen en gevoelsmatig word ik door iedereen ingehaald. “You got what it takes?” Ik begin er ernstig aan te twijfelen. Ik heb het helemaal gehad als we na een hike-a-bike-klim ook bijna de complete daarop volgende afdaling moeten gaan wandelen. Die blijkt namelijk te bestaan uit een kilometerslange zwarte mulheid die de kuil van Zonhoven doet verbleken. Ik doe een dappere poging om te crossen, maar moet al heel snel opgeven en me in de enorme lava-zandbak aansluiten bij al die andere wandelende renners.

Toch kom ik door mijn dip heen. Ergens krijg ik weer oog voor het bizarre landschap waar ik doorheen mag fietsen. De ondergrond is heel gevarieerd. Er is lava in allerlei gedaanten, van grove keien tot fijn zwart zand. De kleuren zijn met geen pen te beschrijven. Veel zwart, maar daartegen afgetekend intens groen en geel en we zien ook wat witte vlakken met sneeuw. Spaarzame plantjes met roze bloemetjes in deze woestenij doen me nietig voelen. Leven gaat zijn weg wel vinden, ook als mensen op deze planeet niet meer bestaan. De elementen doen hun best. Na zon komt weer regelmatig wat regen. Als mist de grillige ondergrond tijdelijk onzichtbaar maakt, voelt dat toch wat ingewikkeld. Ergens in de krater krijg ik wit koud spul over me uitgestort. Ik passeer een man die met zijn mobiel bezig is. “Are you okay?” vraag ik. “Yes, I am. Is this snow?” Het lijkt een suffe vraag, maar er doen mensen uit heel de wereld mee, ook uit gebieden waar het nooit sneeuwt. “I think so.” De route is gemarkeerd met duidelijke borden, soms voorzien van teksten, waarvan de impact afhankelijk is van de mindset: “Cycling in Iceland: it’s all downhill from here, until it’s not.”

Ik ben blij met wat ondersteuning van mijn navigatie, hoewel bij gebrek aan straatnamen urenlang slechts ‘Hekla’ als aanwijzing in het scherm op den duur wel wat gaat tegenstaan. Die vulkaan is stiekem het uiterste van me aan het vergen. Door de weidsheid van het landschap is inschatten van de gradiënt één grote mindfuck. Sommige stukken zijn bizar steil en in combinatie met de vaak listige ondergrond moet er nogal wat met de fiets gewandeld worden. Ik trek de conclusie dat ik specifiek dit onderdeel echt meer had moeten trainen. Als een crosser met de fiets in de nek hollen is al vrij snel duidelijk geen optie; de MOG is daar te zwaar voor, de ondergrond te slecht en de hellingen te steil en te lang. En het moet te vaak. In een poging om zo min mogelijk te lopen probeer ik mijn problemen waar het enigszins lijkt te kunnen al fietsend op te lossen. Dat gaat op mijn kleinste verzet een aantal keren best goed, maar op een stuk waar het opeens weer vrij druk is en het fietsen slechts kan in een smal spoor naast alle wandelaars, stuur ik wat onhandig om een andere deelnemer heen, waardoor ik met een koprol de lava van heel dichtbij ga bekijken. “Wow, that was an amazing safe!” was de reactie van een renner achter mij, maar ik ben minder enthousiast als ik straaltjes bloed uit mijn elleboog en knie zie stromen. Het ziet er echter vervelender uit dan het is en ik kan door. Vanaf nu ga ik wel al dit soort hellingen direct lopen.

Eindelijk is daar de vierde post nabij één van de laatste hike-a-bike stukken op 136 km, waarna het inderdaad vooral bergafwaarts zal zijn. Manon en ik zijn daar nog even samen. De hele dag hebben we ons eigen tempo gereden, waarbij we elkaar met enige regelmaat toch even troffen. Manon zit zichtbaar te genieten van haar avontuur, ook al heeft ze al sinds de vorige bevoorradingspost nauwelijks remkracht meer op haar achterrem en enkele keren meegemaakt dat haar ketting eraf gestuiterd was. Ik geef haar te kennen dat ik nu wel klaar ben met al het geklim, vooral al die stukken te voet. Ik merk dat ik gas wil geven als we weliswaar mul maar wat vlakker lava voor onze wielen krijgen. Eindelijk fietsen! Nog een paar stortbuien en een stuk met mist, maar dan breekt de zon definitief door. Ik denk Manon in mijn wiel te horen, maar dat blijkt een man, die vlak daarna mijn wiel loslaat. Ik dender solo mijn laatste 50 kilometer in.

Het stuk dat ik nu nog te fietsen heb, hebben we vanmorgen in de regen in tegengestelde richting gereden, maar ik herken maar weinig. Bij de laatste bevoorrading stop ik voor het eerst vandaag even om iets te pakken. De Snickers is een welkome variatie op mijn eigen reepjes en gelletjes. Afmaken! Ik geniet van de laatste rivercrossings, die ik nu allemaal fietsend doorkom. Geen idee hoe het staat met mijn wedstrijd, maar Inge gaat het gas nu openzetten. Op het asfalt schakel ik plat op het stuur liggend tegen het beetje tegenwind de tijdritmodus aan. Ik realiseer ik me, terwijl ik plukjes renners passeer, dat ik het laatste uur eigenlijk alleen maar volk heb ingehaald, zowel mannen als vrouwen met allerlei kleuren stuurbordjes. Het gaat best weer lekker, dit kan ik nog wel even, maar ik vind het tegelijkertijd ook mooi geweest. Als ik de ladyspeaker hoor en de dranghekken ontwaar met daarachter luid klappend publiek, dringt het pas weer goed tot me door dat dit een wedstrijd was tegen anderen en niet uitsluitend tegen mezelf. Ik merk dat ik een beetje baal als ik met de eindstreep in zicht gepasseerd wordt door een stelletje, dat bij de finish braaf naast elkaar gaat fietsen om de ‘draftregel’ niet te schenden. Ik moet glimlachen om die wissel van perspectief in mijn hoofd. Bijna 200 kilometer strijd ik eigenlijk uitsluitend tegen mezelf en de laatste 200 meter is de uitslag ineens belangrijk.

Toch verdwijnt die uitslag weer naar de achtergrond. Mijn mobiel is leeg en het kost moeite om Karst te vinden. Hij blijkt een lekke band te hebben gehad met onze huurauto en daardoor een nogal hectische dag. Het is even wachten op Manon. Ik maak me zorgen, gezien de conditie van haar achterrem, maar ben opgelucht als ik haar de laatste meters binnen kan schreeuwen. We hebben het gedaan! Wat een avontuur. “You got what it takes?” Wij wel. Ik ben kei-trots op ons.

“Hee! Ze hebben de uitslag in een linkje bij instagram staan,” zeg ik tegen Karst. We liggen inmiddels al in bed in ons hotel na een dag toeristisch rondneuzen op IJsland. Ik had intussen met eenmaal weer wat power in mijn mobiel wel een paar keer op de website gekeken, maar tot nog toe niks gevonden. Nieuwsgierig open ik de link en ga naar de vrouwen van ‘200 open’ en de vrouwen 50+. “Hè? Ik ben derde!!” Tegelijk met een gevoel van trots, vooral over het feit dat ik tiende vrouw blijk te zijn bij de ‘200 open’ over-all, bekruipt me de teleurstelling. Blijkbaar heb ik mijn kans om na deze monstertocht op een podium als een Viking met een hoorn vol bier op mijn prestatie te kunnen proosten, gemist. Hoe dan? Was ik te druk geweest met mijn reisgenoten? Of was de prijsuitreiking al geweest voordat ik binnen was? Geen idee of ik het ooit nog zal weten. Terwijl ik dit schrijf, is na een mailtje aan Lauf mijn prijs vanuit IJsland onderweg naar Nederland. Als er een Viking-hoorn bij is, moet ik thuis maar even proosten op deze bizarre dag op de fiets. “A whole new level of ‘epic ride’ unlocked” schreef ik bij mijn Strava. En dat was het.
©️ ingefietst
Foto’s zijn van eigen makelij, maar ook ontleend aan de website van The Rift, om een beeld te geven van het bijzondere landschap.
